Organist, Orgeladviseur en Orgeldocent
© Marcel Verheggen 2012
Servaas
Het Hoofdorgel Klik hier voor de dispositie
Het huidige orgel van de St. Servaasbasiliek in Maastricht kent
een bewogen geschiedenis die begint in de Dominicanenkerk.
De oorsprong van het orgel in deze nabij de St. Servaas
gelegen kerk begint rond 1650. In de Dominicanenkerk bevond zich destijds een instrument
in Zuid-
Het eigen instrument van de St. Servaas, evenals een groot deel van de inventaris, was inmiddels door de perikelen van de Franse revolutie verloren gegaan. Het is tot op heden onbekend om wel instrument het precies ging. Uit archiefgegevens blijkt dat er sprake moet zijn geweest van een zeer groot orgel. Toen de kerk in de 19e eeuw weer beschikbaar kwam voor de eredienst, kocht het kerkbestuur van de St. Servaas in 1804 het orgel van de Dominicanenkerk. Tussen 1804 en 1806 werd het nieuw verworven orgel door de Maastrichtse orgelbouwer Joseph Binvignat, die het instrument ook al in de Dominicanenkerk in onderhoud had, verhuisd en opgebouwd in de St. Servaas. Vermoedelijk voegde hij slechts één register toe, de Viola di Gamba 8’, en werd het orgel voor de rest ongewijzigd opgebouwd. Zijn zoon Adam voerde in 1839 en 1841 nog enige veranderingen door.
In 1843 jaar werd de stenen boog afgebroken waarop het orgel stond opgesteld. Demontage van het orgel en herplaatsing in de westbouw van de kerk was zodoende onvermijdelijk. Deze taak werd uitgevoerd door de Gebr. Franssen uit Horst. In feite werd een nieuw orgel gebouwd met gebruikmaking van delen van het front en een groot deel van het pijpwerk. Het pijpwerk van het Grand Orgue werd links en rechts in de kas geplaatst, het pijpwerk van het Positif en Echo werd in het midden geplaatst. Het pedaal kreeg nu voor het eerst eigen stemmem, maar had door het ontbreken van 16' registers geen basfunctie, maar tenorfunctie. De mechanieken en windladen werden op een enigszins primitieve manier nieuw gebouwd. Alles stond nu opgesteld in één grote kas waardoor de vorm die het orgel tegenwoordig heeft toen al voor een groot deel bepaald werd.
Tussen 1852 en 1855 hebben de orgelbouwers Pereboom & Leijser het orgel voortdurend gewijzigd en uitgebreid: registers werden toegevoegd, waarvan een deel werd geplaatst in een kleine, nieuwe kas: het Récit; Positif en Echo werden beide in één crescendokast geplaatst; het pedaal werd behoorlijk veranderd doordat veel stemmen van Franssen plaats moesten maken voor 16' en 8' pijpwerk. In 1882 werden door dezelfde firma nogmaals twee nieuwe registers en een tremulant toegevoegd.
In de jaren 1912/1913 vonden, tot aan de huidige restauratie, de laatste werkzaamheden
aan het instrument plaats. Een nieuwe generatie Pereboom verving de oude balgen door
een gigantische magazijnbalg die ook nu nog dienst doet. Ook werd het aantal registers
op zowel Positif als Echo verminderd. Het Récit verdween helemaal. In deze situatie
was het tweede en derde klavier verworden tot een bleke afspiegeling van de vroeg-
In de loop van de jaren werd de toestand van het orgel steeds slechter. De toenmalige organist van de kerk, Hub. Wolfs, kon uiteindelijk alleen nog improvisaties ten gehore brengen op de registers die nog in min of meerdere mate functioneerden, literatuurspel was een zeer moeilijke zaak. Het was door de slechte staat en de onbereikbaarheid van belangrijke onderdelen niet meer mogelijk om het orgel te stemmen of ook maar enigszins op te knappen. Ondanks alle gebreken kon men toch nog ervaren, dat het in principe om een heel interessant en waardevol orgel ging.
Een totale restauratie/reconstructie bleek de enige oplossing te zijn. Een belangrijke
aanzet hiertoe vormde de restauratie van de kerk waarbij het orgel niet kon en mocht
achterblijven. Na rijp beraad tussen Hans van der Harst, Onno B. Wiersma (rijksorgeladviseur),
de kerkarchitecten, de organist Hub. Wolfs en de firma Verschueren te Heythuysen
werd een definitief besluit genomen over de wijze van aanpak. Een moeilijk punt
was de veelheid aan stijlen die aanwezig was: van 17e eeuws materiaal t/m 20e eeuws
materiaal. Als uitgangspunt werd uiteindelijk aansluiting gezocht bij de vroeg-
In 1989 begonnen de werkzaamheden die drie jaar in beslag zouden nemen. Verschueren Orgelbouw reconstrueerde het orgel tot een prachtige stilistische eenheid waarbij zoveel mogelijk oude onderdelen werden gehandhaafd. M.n. het pijpwerk en de windladen konden voor een groot deel behouden blijven en opgeknapt worden. Vanwege de zeer gebrekkige toestand moesten de mechanieken en de zwelkast geheel herzien worden. Ook het front werd met gebruikmaking van oude onderdelen nieuw ontworpen omdat de vorm vanwege de kerkrestauratie gewijzigd moest worden. De klaviatuur werd hierbij verplaatst van de zijkant naar de voorkant van het orgel.
Klik hier voor de dispositie van het Hoofdorgel
Bronnen:
Hans van der Harst, Het orgel in de Basiliek van Sint Servaas te Maastricht. In: Het Orgel, 88ste jaargang nr. 6, juni 1992
Boekje bij CD "Historische orgels in Limburg", uitgave Stichting SOL, Urmond, 1995.
G.M.I Quadvlieg, De orgels van Maastricht, eigen publicatie, 2003
Het Koororgel Klik hier voor de dispositie
Het oorspronkelijke koororgel van de St. Servaas, gebouwd in
1981, kon bij de kerkrestauratie om architectonische redenen
niet gehandhaafd worden. Als vervanging werd door
Verschueren Orgelbouw in 1990 een kleiner één-
gebouwd dat geplaatst werd in het neo-
Het laat-
Klik hier voor de dispositie van het koororgel
Bronnen:
Jan Jongepier, de kleine orgels van de St. Servaaskerk te Maastricht. In: Het Orgel, 88ste jaargang nr. 6, juni 1992.
Gegevens Verschueren Orgelbouw
Boekje CD "100 jaar Verschueren", uitgave Verschueren Orgelbouw, 1991
Het Kabinetorgel Klik hier voor de dispositie
Bouwer: wellicht Johannes Pieter Künckel.
Klik hier voor de dispositie van het kabinetorgel
Klik op de foto voor een vergrote weergave
Klik op de foto voor een vergrote weergave
Klik op de foto voor een vergrote weergave